Pedagogisch Beleidsplan van Kindercentrum Het Buitenhuis 2017

Kindercentrum Het Buitenhuis
Korine Laarhoven/ Frank van Wijk pedagogisch beleidsplan
5 augustus 2017

 

Vooraf

Het Tuinhuis -voorloper van het Buitenhuis- is opgericht in september 2007 door Korine Laarhoven (leerkracht, docent, mentor bij het ROC en Focustrainer).
Vanaf 2010 is Het Buitenhuis een VOF waarbij Korine Laarhoven en Frank van Wijk samen het kindercentrum runnen. Frank werkte jaren in het onderwijs, in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs als docent Nederlands en mentor. Naast het onderwijs werkte hij vanaf 2010 al part-time in het Buitenhuis en vanaf 2017 werken we er beiden helemaal.

Sinds 2015 is naast het KDV de BSO van start gegaan.

Vanaf februari 2012 is het Tuinhuis van naam en adres veranderd:

Kindercentrum Het Buitenhuis, Frieswijkerweg 6, Schalkhaar.

 

 

Visie

Ieder kind heeft een drang zich te ontwikkelen. De ontwikkeling is een individueel proces; ieder kind ontwikkelt zich tot een eigen persoon in zijn/haar eigen tempo. Dit proces wordt beïnvloed door aangeboren- en omgevingsinvloeden.
Een kind ontdekt en ontwikkelt zich door vrijheid te ervaren in een veilige omgeving en zich gesteund en uitgenodigd te weten waar het dit nodig heeft. Door het bieden van een dagritme, gedragsregels en erkenning van wat ze ervaren en voelen ervaren kinderen structuur in een omgeving die beoogd de veilgheid te bevorderen.

Visie op opvoeden, Aansluiten bij de unieke ontwikkeling van ieder kind staat voorop. Dit gebeurt op een positieve manier en in een vertrouwde, veilige en geborgen sfeer, waarin kinderen en ouder(s) en/of verzorger(s) zich thuis voelen.
Ieder kind krijgt voldoende uitdagingen om al doende en spelend de persoonlijke ontwikkeling recht te doen.

Basisvoorwaarden hierbij zijn dat de opvoeder respect heeft voor het kind, het kind en de behoeften ‘ziet’ en het kind voldoende rust en structuur biedt.

Pedagogisch doel KDV

Het pedagogisch doel is dat een kind zich ontwikkelt tot een zelfstandige- en zo veel mogelijk zelfredzame vierjarige; met een positief zelfbeeld, met eigenheid en met voldoende vertrouwen in zichzelf, de omgeving en anderen.
Pedagogisch doel BSO

Kinderen kunnen na een dag school zoveel mogelijk doen wat ze willen. Het is hun vrije tijd. Daarvoor bieden we zowel binnen als buiten actieve en rustgelegenheden en zorgen we voor een veilge sfeer.

Algemeen

Pedagogisch handelen

Aansluiten bij het kind, dagritme, een positieve benadering en aandacht voor belevingen en zelfstandigheid zijn kernbegrippen in het pedagogisch handelen. Daarenboven streven we naar een sfeer waarin rust voorop staat, zodat onderstaande items ook de kans krijgen zich op een prettige manier en in een liefdevolle sfeer te ontwikkelen. Voordat we ingaan op de afzonderlijke ontwikkelingsgebieden willen we daarom ingaan op het thema ‘rust’.

Rust

Het Buitenhuis is bewust een kleinschalig KDV/BSO. De reden hiervoor is dat we rust erg belangrijk vinden.
Hoe meer we ervaren wat rust brengt hoe belangrijker we het gaan vinden.

KDV: Concreet betekent het dat kinderen bijvoorbeeld niet mogen schreeuwen. Waar ze dit uit enthousiasme of spannend spel doen corrigeren we dit door zachtjes sssst te zeggen of door tussen de spelende kinderen in te gaan zitten en zo -door zelf rustig te zijn- de kinderen rust te geven. De sfeer verandert dan van onrustig en opgejut naar sfeervol en warm. We kunnen aan de kinderen merken hoe fijn dit is: ze vallen niet, maken minder ruzie en spelen met en om elkaar heen. De mooiste momenten zijn als het ‘zoemt’. Dan spelen ze allemaal vanuit hun eigen rust, niemand schreeuwt, iedereen is bezig en vermaakt zich.

Om dit te bereiken is ‘aanwezigheid’ van de leiding nodig. Niet alleen fysieke aanwezigheid, maar aandachtige aanwezigheid en waar nodig interveniërend.
Er zijn ook regels om dit te bevorderen. Naast niet schreeuwen mogen ze binnen bijvoorbeeld niet rennen. Als ze graag willen rennen kunnen ze altijd naar buiten. Gek genoeg rennen ze meestal niet als ze buiten zijn. Wel spelen ze intensief. Rond 10 uur gaan we steevast een flink eind wandelen. Veel energie kunnen ze zo aan het begin van de dag al kwijt. Kinderen blijken veel lichamelijke energie te hebben. Sommigen lopen en rennen de afstand wel drie keer. Meestal zijn we meer dan een uur onderweg, waarvan de kinderen meer dan de helft zelf lopen en spelen.

Daarnaast zijn jonge kinderen ook bezig hun emoties/moeilijkheden zelfstandig te overwinnen, soms geeft het daarom vertrouwen en zelfvertrouwen kinderen het zelf te laten proberen in een veilige omgeving waar hulp altijd voorhanden is.
Zelf ouders zijnde van twee kinderen in de tienerleeftijd, leek de start van KDV Het Buitenhuis een extra kans om bovenstaande ervaringen en kennis in praktijk te brengen. De praktijk is toch altijd weer anders dan welke theorie dan ook, omdat mensen/kinderen altijd meer zijn dan een emotie of een bepaald type. Het blijft een uitdaging om steeds zoekend en proberend kinderen zo goed mogelijk te begeleiden in hun zo belangrijke eerste levensjaren.

BSO:

De BSO-kinderen hebben alle ruimte om te spelen/rennen op het eigen land en om binnen te ‘chillen’. Op school zijn ze gewend dat ze buiten mogen schreeuwen, dat mag in het Buitenhuis eigenlijk niet. Ook voor hen is het fijn gebeleken dat er meer rust is. Ze leren dat ze zo hard mogen rennen als ze willen, maar niet hoeven schreeuwen. De grote ruimte buiten en het soms koude water waren in eerste instantie wel aanleiding om te schreeuwen. Nu gebeurt dat eigenlijk niet meer en is de sfeer veel prettiger, rustiger en veiliger en is er gelegenheid ontstaan om:

te spelen, te verzinnen, dingen te maken, bij ‘jezelf’ te blijven (i.p.v. buiten jezelf te raken van het schreeuwen) en is er een goede sociale interactie: de kinderen kennen elkaar en voelen zich steeds veiliger in de sociale context.

Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang per 1 januari 2018

Pijler: De ontwikkeling van het kind staat centraal

In de wet zijn de vier pedagogische doelen van Riksen-Walrave opgenomen als definitie van ‘verantwoorde kinderopvang’. Die pedagogische doelen zijn:

1-het bieden van emotionele veiligheid;

2-het bevorderen van de persoonlijke competentie;

3-het bevorderen van de sociale competentie;

4-de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde normen en waarden.

In het pedagosisch beleidsplan hieronder worden deze vier doelen nader uitgewerkt, beschreven en wordt aangegeven hoe deze doelen worden geimplementeerd.

Het bieden van emotionele veiligheid

Aan een regelmatige plaatsing kan een wenperiode voorafgaan. Omdat kinderen op hun eigen manier wennen aan een nieuwe omgeving, spreken we per kind af wat prettig is. Het ene kind start met een halve dag en weer een ander kind kan gelijk een hele dag blijven.

Het wenproces is een precaire periode, waar we veel aandacht aan geven. Het is niet alleen wennen om zonder pappa en mamma te zijn, het is ook een hechtingsproces aan nieuwe mensen en een ander plek, een ander bed om in te slapen, ander speelgoed en ineens een paar andere kinderen om mee te spelen en rekening mee te houden.

Belangrijk is wel dat een wenproces niet te lang duurt: in de regel is het zo dat hoe sneller je een kind kunt duidelijk maken wat de nieuwe situatie is des te beter het is. Jonge kinderen wennen niet via hun hoofd Je hoeft ze niks uit te leggen of veel te praten b.v.), maar leren door te vertrouwen. Hoe meer je als volwassenen vetrouwt op het feit dat de situatie weliswaar nieuw maar goed is, hoe sneller het kind dit zal oppikken en hoe sneller alles vanzelfsprekend is.

Voor jonge kinderen tot ca. 1,5 jaar is hechting extra belangrijk. Voor hen is veel rust en aandacht een vereiste. We streven ernaar deze jonge kinderen dit te geven door hen o.a. veel lichamelijk contact te bieden en hen regelmatig wat af te zonderen van de andere spelende kinderen. Deze jongsten zijn erg nieuwsgierig en als ze eenmaal kunnen zitten en tijgeren/kruipen zie je ze al gauw voor vol aan. Toch zijn ze nog veel opener en dus kwetsbaarder dan de wat ouderen en zijn daarom ons inziens rust, aandacht en fysiek contact onontbeerlijk.

Slapen

We streven ernaar de kinderen genoeg rust te geven, wat in een crèche wat moeilijker kan zijn dan thuis. Slapen is voor jonge kinderen erg belangrijk en krijgt daarom ruim de aandacht. We blijven even bij een nieuw kind tot het zich veilig voelt. Doen “vanzelfsprekend” rond het slapen gaan en we zijn heel duidelijk: we gaan lekker slapen. Kinderen die gaan spelen in bed, terwijl ze moeten gaan slapen, helpen we door te herhalen dat het slaaptijd is, net zo lang tot ze gaan slapen.

Wennen

Voor kinderen kan het slapen in een nog niet vertrouwde omgeving soms moeilijk zijn. Het helpt als ze thuis al gewend zijn zelf (zonder de aanwezigheid van een volwassene) in te slapen. Als het moeilijk blijkt voor een kind hier te gaan slapen, proberen we dit op te lossen door duidelijkheid en aandacht te geven. We hebben

goede ervaringen met de zogeheten “10 minuten-methode”. Als een kind huilt, gaan we elke 5 of 10 minuten naar het kind toe en geven het even een aai over de bol, zeggen welterusten of wat toepasselijk lijkt en gaan weer. Dit blijven we herhalen tot het kind slaapt. Tot nu toe heeft dit goed en snel gewerkt, zodat de kinderen aan hun benodigde slaap en rust toekomen.

Mocht dit niet het gewenste effect hebben dan is er iets anders aan de hand met het kind, misschien is het niet slaperig/ angstig e.d. dan zullen we het of uit bed halen of bij het kind blijven.

Omgaan met emotionele intimiteit

Kinderen hechten zich na verloop van tijd aan pedagogisch medewerkers. Het belang daarvan onderkennen we door klein te blijven, zodat de gezichten vertrouwd zijn en de kinderen niet geconfronteerd worden met regelmatig wisselend personeel.
(Jonge kinderen zijn in staat zich aan ca. 4 personen te hechten. Een goede hechting is een voorwaarde voor het aangaan van gezonde relaties en gedrag in het latere leven. Veel gedragsstoornissen, blijkt uit onderzoek, worden voor een groot deel veroorzaakt door hechtings-problematiek.*

Omgaan met lichamelijke intimiteit

Kinderen zijn afhankelijk van de goede zorg en goede bedoelingen van pedagogisch medewerkers. Wij dragen de verantwoordelijkheid om integer om te gaan met deze afhankelijkheid.
Wij letten op de volgende zaken:

-kinderen worden niet zomaar en/of tegen hun zin geknuffeld. Zodra ze b.v. na getroost te zijn een tegenbeweging maken/ verder willen spelen, laten we ze los. Jonge kinderen geven gelukkig vrij duidelijke signalen daaromtrent. Soms geef je een kind even een aai over zijn bol en zelfs dan is duidelijk of ze dat prettig vonden of juist niet. Deze signalen opvangen en serieus nemen is wat ons betreft een vanzelfsprekende zaak. Kinderen hebben recht op hun fysieke grenzen en de bewaking daarvan. Ook als kinderen onderling knuffelen letten wij er op dat wanneer een van de kinderen aangeeft dat het welletjes is, dit wordt gerespecteerd. We helpen met deze grenzen waar nodig, door alert te zijn en aanwezig tijdens het spel van de kinderen.
-tijdens het verschonen houden we regelmatig oogcontact en letten we op de bewegingen van het kind. Dit om eventueel onbehagen op te merken en er goed op te reageren. Soms is het voor nieuwe kinderen wel eens ongemakkelijk om verschoond te worden door een vreemde. Verwoorden wat je doet op een rustige vanzelfsprekende manier helpt. Even wachten en aandacht hebben voor het kind ook. Als kinderen bezig zijn met sexualiteit laten we hen begaan zolang de grenzen van een ander gerespecteerd blijven. Deze jonge kinderen spelen heel soms ‘doktertje’, maar meestal begint dat wat later. Ze verkennen ook hun eigen lichaam en hun sexualiteit. Dit laten we gewoon begaan, liefst zonder er op te reageren, want daar zitten ze helemaal niet op te wachten. Hoe afweziger/ neutraler de reactie hoe beter. BSO:In de basisschoolleeftijd is de beleving van lichamelijke intimiteit volop in ontwikkeling en gaan er normen meespelen. In de onderbouw nog wat minder (bloot is niet raar) maar al gauw ontstaan vaak eerst bij meisjes schaamte gevoel. Omkleden om te zwemmen wordt even een probleem, dat moet prive. Jongens vinden dat onderling niet zo’n probleem en kleden zich buiten in alle openheid om. Dit wordt goed begeleid door de pm-er, zodat er geen onveilige situaties ontstaan. Waar dit toch gebeurt of waar een kind dit achteraf als vervelend heeft ervaren, wordt dit goed besproken met de ouders en zo nodig het kind en wordt naar een passende oplossing gezocht.

*De wet IKK speelt daar op in door maatregelen in te voeren als:

1-Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor werkt op de groep waar het kind is geplaatst. Zij/hij volgt de ontwikkeling van het kind, is het eerste aanspreekpunt voor ouders (en in de BSO ook voor het kind). De mentor hoeft niet per sé één van de ‘vaste gezichten’ van het kind te zijn.

Het Buitenhuis regelt dit al zo, doordat we zelf op de groep staan zijn wij ook de mentoren:

Mentorschap

Het mentorschap houdt in dat de mentor het kind volgt, bijzonderheden met collega’s bespreekt en deze meedeelt aan de ouders. In het Buitenhuis gebeurt dit laatste in eerste instantie per app. Mocht er reden zijn voor een gesprek dan wordt dit gepland. De mentor kan in overleg met de ouders bekijken of er meer hulp nodig is. Het Buitenhuis beschikt over een netwerk/sociale kaart en kan doorverwijzen. Voor het KDV zijn Frank en Korine beiden mentor voor alle kinderen. Voor de BSO is dat Korine. Overleg tussen de collega’s vindt voortdurend plaats, ook met de pm-er (Emma).

Ontwikkelingen worden direct met de ouders gecommuniceerd, vroeger in het schriftje nu vooral in de app. Bij de overgang naar de basisschool wordt gebruik gemaakt van het overdrachtsformulier van Sine Limite. Dit wordt in overleg met de ouders ingevuld en verstuurd naar de betreffende school. Desgewenst kan er een ‘warme overdracht’ plaatsvinden.

Kindvolg-systeem:

KDV: Ieder kind van het kinderdagverblijf heeft een groeps-app waarin beide ouders en Frank en Korine zijn vertegenwoordigd. Relevante informatie, vragen en opmerkingen worden hierin direct gecommuniceerd. Een keer per jaar, of vaker als daar aanleiding toe is, gaan we naar de ouders thuis voor een gesprek over de voortgang. Dit is geen verplichting voor de oduers.

BSO: Ieder kind heeft een app waarin een van de ouders is vertegenwoordigd. Informatie wordt per app verstuurd tussen de ouder en Korine. Op verzoek kan er een gesprek over de voortgang worden gepland.

2- De wet IKK: Aan een kind worden twee vaste pedagogisch medewerkers toegewezen. Op de dagen dat het kind komt, is altijd minimaal één van deze twee pedagogisch medewerkers werkzaam. Als de omvang van de stamgroep vraagt om inzet van meer dan twee pedagogisch medewerkers, dan mogen maximaal drie vaste pedagogisch medewerkers aan het kind worden toegewezen. Naast het ‘vaste gezicht’ kunnen andere pedagogisch medewerkers worden ingezet. Voor kinderen met een flexibele dagen geldt het ‘vaste gezichten-eis’ niet.

In de uitwerking kun je ervoor kiezen om in een groep met 0-jarigen (horizontaal of verticaal) twee pedagogisch medewerkers in te zetten die de hele week samen de vijf weekdagen bezetten (bv. één werkt drie dagen en de ander werkt de andere twee dagen), zoals in onderstaand schema. Je kunt er ook voor kiezen om aan iedere baby twee pedagogisch medewerkers als ‘vaste gezichten’ te koppelen.
Het Buitenhuis regelt dit al zo, doordat we zelf op de groep staan zijn wij, naast onze vaste werknemer, ook de vaste gezichten.
We nemen zodoende de emotionele intimiteit die ontstaat serieus.
Natuurlijk hebben we een andere rol dan de ouders, wat ogenschijnlijk door de jongsten niet zo wordt ervaren omdat ze ons rustig mamma of pappa noemen. Wij zien dit deels als een geslaagde hechting en deels als taal-issue. Jonge kinderen kunnen onze namen niet zeggen en dus zijn we gewoon “zo’n grote die voor je zorgt=

 

mamma of pappa”. Zodra ze ca. 1,5 zijn kunnen ze het verschil wel verwoorden. Daarvoor weten ze het verschil ook wel, maar ze maken geen taalkundig onderscheid. Die overgangsfase kan grappige woorden opleveren: zo was Korine Mamma-Kgiene en Lollie en heet Frank, Pappa of Tank of toch ook maar Kgiene.
Dat pappa’s en mamma’s er altijd bijhoren onderkennen we door soms hun foto’s op te hangen of door over pappa en mamma mee te praten als ze daar over beginnen, iets voor hen te maken e.d.

Het bevorderen van de persoonlijke competentie

Ontwikkeling van het zelfvertrouwen

Het Buitenhuis hecht veel waarde aan een veilige en vertrouwde omgeving waarin de kinderen zich thuis voelen. Emotionele veiligheid is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een positief zelfbeeld en zelfvetrouwen.
Hieronder volgen enkele voorbeelden van hoe dit gedaan wordt:

- Door het kleinschalige karakter van het Buitenhuis is alles snel bekend en vervolgens vetrouwd;
- Er is een huiselijke sfeer; samen aan tafel eten of knutselen; boekje lezen op de bank, e.a.

- er is aandacht voor knuffelen; op schoot zitten en lichamelijk contact, zeker als kinderen zich nog niet veilig voelen en dit als prettig ervaren; baby’s regelmatig dichtbij.
- Kinderen weten dat er altijd iemand voor hen is, als zij er behoefte aan hebben. Luisteren naar de kinderen is belangrijk en er is veel ruimte voor individuele aandacht.

- We nemen samen met het kind afscheid van de ouders/verzorgers en benoemen het gevoel wat er eventueel is en vertellen dat pappa/mamma weer terugkomt.

- We blijven bij het kind tot het zover is dat het kan gaan spelen;
- Uitleggen en verwoorden wat er gebeurt: Als het kind bijvoorbeeld verschoond moet worden, wordt benoemd wat er gedaan wordt.
- Door emoties en gedrag te benoemen, leren kinderen dat emoties en gedragingen niet verkeerd of goed zijn, maar begrepen worden, waarna ze zelf of met hulp emoties de baas worden en zonodig iets op een andere manier leren doen.

 

- Het Buitenhuis hanteert een vast dagritme en geeft duidelijke gedragsregels, zoals b.v.: niet slaan, samen spelen=samen delen enz. Deze herhaling geeft de kinderen duidelijkheid, rust en regelmaat, waardoor veiligheid wordt bevorderd.
- Kinderen krijgen positieve bekrachtigingen waar ze dingen goed doen, iets voor het eerst kunnen, iets zelf doen, e.d.

Als kinderen kunnen vertrouwen op hun omgeving en zich daarin vrij kunnen bewegen, begrijpen wat er wordt verwacht, erkenning krijgen voor wat ze moeilijk vinden en ervaren wat ze goed doen, ontstaat er zelfvertrouwen.
De peuterpuberteit is een belangrijke fase in de ontwikkeling van het zelfvertrouwen en de wilskracht. Het tonen van vanzelfsprekende beslistheid, het geven van duidelijkheid en het geven van liefdevolle aandacht en hier en daar wat humor zijn belangrijk om deze ontwikkeling van peuters te doen slagen.
Een “sterke” volwassene die redelijke grenzen aangeeft en daarnaast liefdevol en grappig is, geeft peuters richting en vertrouwen en biedt zo de basisvoorwaarden de (eigen) grenzen te durven verkennen.

BSO: In de basisschool-leeftijd veranderen kinderen en krijgen ze meer te maken met de sociale merites van een klas, vriendjes en vriendinnetjes. Ook in de BSO is er een groep en spelen er sociale processen. We willen de kinderen ook hier een veilige plek bieden, waar ruzie’s worden opgelost en waar vriendschappen kunnen ontstaan. Door kinderen vormen voor hun rust of beweging te helpen vinden en waar nodig te helpen alleen of samen te spelen. regels als doende aan te geven: buitensluiten is iets anders dan even samen of alleen willen spelen. Negatief commentaar kan ook op een goede manier worden gegeven: “Jij verpest steeds alles!” beter: “Ik wil dit nu zelf doen!”

Taalontwikkeling
KDV: Door verhaaltjes te spelen, te vertellen en voor te lezen, leren kinderen spelenderwijs de taal en leren ze als vanzelf om een tijdje al kijkend te luisteren. Liedjes worden aangehoord en na verloop van tijd meegezongen.
De woordenschat wordt uitgebreid door aandacht te besteden aan b.v. verschillende seizoensgerelateerde thema’s. Daarbij worden nieuwe, niet direct alledaagse woorden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: lammetje; dartelen; de kleuren; paddestoelen; schors; enz. enz.
Door te benoemen wat we doen, breiden ze spelenderwijs hun woordenschat uit, ontwikkelt het passieve taalgebruik zich (begrijpen wat we zeggen en luisteren naar goede zinnnen) en leren ze op den duur zelf goede zinnen te bouwen.
We letten er op zelf goede zinnen te blijven gebruiken en niet te vervallen in “kindertaal”.
(b.v.niet: ”Kom even schoentje aandoen”, maar: ”Kom ik zal je schoen even aandoen.”)
De verleiding is aanwezig om veelvuldig verkleinwoorden te gebruiken in het bijzijn van kleien kinderen. Dit doen we bewust niet. Een jong kind heeft gewoon een hand, geen handje.
BSO: Taalontwikkeling heeft niet direct prioriteit in de BSO. Op school wordt daar genoeg aan gedaan. Wel heeft de BSO boeken en tijdschriften, die geselecteerd zijn op goede taal. Spelenderwijs worden dingen uitgelegd, moeilijke woorden verklaard e.d. De pm-ers spreken zelf goed Nederlands, zijn bevoegd als leerkracht en docent en spelen zo in op voorkomende taalissues.

Het spelen

Lekker spelen is het belangrijkste wat kinderen kunnen doen. Het is goed voor de lichamelijke, emotionele en verstandelijke ontwikkeling. Het vrij spelen krijgt daarom

alle ruimte. Daar waar het vrije spel stokt, bieden we hulp het kind weer op weg te helpen. Dit kan b.v. door te benoemen wat er gebeurt, door iets aan te bieden of door even mee te spelen.
Kinderen wordt bijvoorbeeld de mogelijkheid geboden tot:

-vrij spel
-fantasiespel (met verkleden b.v.) en rollenspel
-buiten spelen met water en zand en in het huisje
-aardbeien plukken
-creatieve activiteiten als bouwen met blokken/ kleden
-knutselen
-schilderen
-kleien
We maken bewust geen gebruik van speeltoestellen maar bieden materialen aan die spel uitlokken, ook wel ‘spelaanleidingen’ of ‘lose parts’ genoemd. Bijv. stammetjes, waterpomp, lege pet-flessen, kartonnen dozen, stenen, veren, ballen, stukken goot, schepnetjes, emmers, etc. etc.
Daarbij maken we ook gebruik van de omgeving op ons land (boomgaard, moestuin, singels, bosjes, starndje, poel en beek).

Lichamelijke ontwikkeling; grove en fijne motoriek
KDV: Kinderen in deze leeftijd zijn volop in de groei en hebben behoefte aan een middagslaapje of aan een moment rust, daarom gaan de kinderen na de
lunch naar bed. De oudere kinderen in principe ook, een moment rust is goed
ook al slapen ze niet meer. Ze mogen dan in bed spelen of een boekje kijken. Als oudere kinderen regelmatig protesteren wordt bekeken of ze iets
rustigs buiten bed kunnen doen; e.e.a. ook in overleg met de ouders.
- buiten spelen en wandelen geven goede mogelijkheden de grove motoriek te ontwikkelen. Ook aan de ontwikkeling van de fijne motoriek wordt
aandacht besteed, middels divers speelmateriaal en middels verschillende
creative activiteiten.
BSO: Doordat er veel buitenruimte is leren kinderen zichzelf van alles: in het water springen, over het water springen, over hekken klauteren, in de modder blijven staan, staand varen op een surfplank, peddelen in een bootje, van het eiland af varen/glijden, enz. enz. We merken vooral aan de kinderen dat ze hier leren durven en op hun lichaam leren vertrouwen.
Wat betreft de fijne motoriek: er worden diverse handvaardigheden aangeboden, van weven tot metselen. Er is een atelier in aanbouw (zomer 2017) waarin extra ruimte komt voor handvaardigheid.

Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

- Kinderen worden aangemoedigd om dingen als schoenen of jas aan trekken zelf te doen. Van Voordoen naar Samen Doen om het dan Zelf te Doen is daarbij het beste uitgangspunt.
- Bij onenigheid wordt niet direct ingegrepen, tenzij er geslagen e.d. wordt. De kinderen proberen het eerst zelf op te lossen.

- Vorderingen worden op een positieve manier benoemd, met oog voor de gevoelens van kinderen die “nog niet zover zijn”. Mocht het vervelend worden (jaloezie, opschepperij e.d.) dan geven we iedereen complimenten om scheve verhoudingen te voorkomen en bieden daarnaast andere manieren om een positieve sfeer en een positief zelfbeeld te krijgen;

- Waar het kan vragen we grote kinderen kleinere te helpen.
Er wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsfase en leeftijd van het kind. Een kind te vroeg iets vragen te doen kan een kind onzeker maken.

BSO: We stimuleren de zelfredzaamheid waar mogelijk en stellen grenzen waar nodig. Zo mogen de kinderen onder geen beding zelf de weg op, omdat er slecht zicht is (bomen) en auto’s hard rijden en onverwacht dichtbij zijn. Kinderen kunnen dit nog slecht inschatten, vandaar het verbod. We laten kinderen dit ervaren op een rustig moment, door samen naar de kant van de weg te gaan. Daarbij vertellen we dat ze achter de sloot moeten blijven en dat ballen e.a. die op de weg terecht komen door ons worden opgehaald en nooit door hen.

Wel mogen kinderen zelf gaan spelen waar ze willen als ze zeggen waar ze heen gaan, behalve in en bij de poel, dan gaat er iemand van de leiding mee als ze geen zwem- diploma hebben.
Zelfredzaamheid stimuleren we bijvoorbeeld door hen te laten helpen met eten koken, maar ook door op een vraag naar hoe iets moet, te antwoorden met: “Hoe zou je beginnen?” en “Wat heb je nodig?”

Ontwikkeling van de eigenheid.

Het Buitenhuis stimuleert kinderen in hun eigen ontwikkeling. Het Buitenhuis houdt daarbij rekening met de eigenheid/persoonlijkheid van het kind en geeft het kind de ruimte zich te ontwikkelen in zijn of haar eigen tempo en zo veel mogelijk op zijn of haar eigen manier.

Recent onderzoek toont aan dat kinderen het meeste zelfvertrouwen ontwikkelen als ze hun talenten/voorkeuren kunnen “uitleven” . Zo zijn er bijvoorbeeld kinderen die leren door te doen en kinderen die vooral leren door te kijken. Een doener leert van het doen en waar het mis gaat zal het gaan beschouwen en nadenken. Een beschouwend kind zal eerst afwachten, kijken en luisteren voordat het iets gaat doen. Hieronder enkele voorbeelden hoe dit gebeurt in de praktijk:

- de kinderen worden op een positieve manier benaderd. Er wordt vooral gezegd wat er wel kan/mag. Waar nodig wordt er kort en duidelijk aangegeven wat er niet kan/ mag.
- Er is speelgoed dat past bij het ontwikkelingsniveau en aard van het kind; blokken voor doeners; een keukentje en huisje voor belevers; een veilige plek (de bank; onder tafel) voor beschouwers, enz.

- de kinderen krijgen de ruimte wanneer zij aangeven iets te willen doen. Als een kind bijvoorbeeld zelf de schoenen aan wil doen, zal ik het kind dit laten proberen en helpen waar nodig;
- Speelmateriaal staat op de eigen hoogte, zichtbaar voor het kind, zodat het eigen keuzes kan maken.

- Kinderen worden uitgenodigd dat wat ze moeilijk vinden eerst samen te doen. Een voorbeeld:
een kind dat nog niet zo goed kan klimmen wordt eerst bij de hand genomen, totdat het heeft ervaren dat het het kan, waarna het kind het zelf gaat proberen.

 

Het bevorderen van de sociale competentie

Ontwikkeling van het inlevingsvermogen
KDV: Jonge kinderen hebben nog weinig inlevingsvermogen omdat je inleven in een ander betekent dat 1: je je bewust bent van je eigen gevoelens en die kan projecteren op een ander en 2: je kunt ‘lezen’ hoe de ander zich voelt in een situatie waarin jij je anders voelt of net zo.’
Dat is een vaardigheid die je kinderen helpt eigen te maken door vooral steeds te benoemen wat er gebeurt: als jij boos bent omdat je niet met die auto mag spelen moet je hem niet slaan, dat helpt niet en het doet pijn en daar wordt hij verdrietig van, kijk maar, hij huilt bijna.” “Ga maar even met een andere auto spelen”, of : “Vraag maar of jij even met die auto mag”. Meeleven met verhaaltjes kunnen ze wel al vroeg, ze beleven dan de emotie mee, maar dat is dus iets anders dan inlevingsvermogen. Ze kunnen zo meeleven dat ze net zo blij of verdrietig zijn als de personages in het verhaal, of zoals jij het leest of vertelt.

BSO: In de basisschoolleeftijd ontwikkelt het inlevingsvermogen zich snel. Er ontstaat een spanningsveld tussen eigenbelang enerzijds en inlevingsvermogen en gewetensvorming anderszijds. We proberen aan te geven dat eigenbelang niet slecht is, maar minstens zo belangrijk als het belang dat je ziet voor een ander. Je mag voor jezelf opkomen, het zeggen als je iets wilt, maar dat mag de ander ook. We helpen de kinderen daar mee om te gaan, door dingen bespreekbaar te maken en door mogelijke oplossingen te bieden.

Daarnaast zijn we extra alert op de volgende punten:
-andere kinderen moedwillig buiten het spel houden mag niet
-pesten mag nooit
-rechtvaardigheidsgevoelens honoreren we
-intenties leren begrijpen
-afreageren (van stress of school) mag maar niet op een ander of door gemeen te zijn

-schreeuwen helpt niks, je krijgt niet je zin omdat je schreeuwt, dramt, hard ‘huilt’

Daarnaast:

- bewustzijn hebben voor de eigenheid van de kinderen en daar rekening mee houden. Geen voorkeur voor een individueel kind laten blijken;
- Handelen vanuit aandacht, duidelijkheid en begrip en daarin consequent zijn.
- Het benadrukken van positief gedrag; bij storend gedrag is het soms nodig het kind even te isoleren, door het apart te laten zijn van de groep, maar we geven de voorkeur aan het gevoel te erkennen en de situatie te benoemen en aan te geven hoe het wel kan en moet.

- Het kind kan emoties uiten als boosheid en verdriet. We helpen het kind waar nodig hiermee om te gaan, door de emotie te benoemen en te erkennen; (wat iets anders is dan er in meegaan.)
- Wanneer een kind aangeeft ergens niet aan mee te willen doen, dan is dat oké. Behalve waar het gaat om de dagelijkse structuur van eten, drinken en slapen. Als het een keer minder eet of drinkt is dat geen probleem. Dit wordt ook overlegd met de ouders.

begrip van en voor de omgeving
KDV: Anderen zien en de gevolgen van je gedrag leren begrijpen zijn belangrijk in het opvoeden van peuters. Peuters zijn qua ontwikkeling nog niet in staat vooraf de gevolgen te overzien van een handeling: b.v. dat als je slaat, dit pijn doet bij een ander. Meestal slaan ze omdat ze hun zin niet krijgen of boos zijn, dit geldt ook voor bijten en knijpen. Vaak is het pijn doen helemaal niet het doel, maar wel het afreageren van iets. Door de achterliggende emotie te erkennen en het gevolg ervan te benoemen leren ze dit verband te begrijpen. Door voor te doen hoe ze om kunnen gaan met teleurstelling, boosheid, jaloezie e.a. leren ze beter om te gaan met hun emoties en met die van anderen. Bijvoorbeeld door:
- We leren de kinderen iets vriendelijk te vragen. In plaats van zeggen ‘ik
wil..’ vragen ‘mag ik..’; en van boosheid gaan we weer terug via “ik wil” naar “mag ik”. Situatie:
Kind slaat een ander kind.
“Wat wil je graag?”
“Ik wil de schep”
“Dan kun je vragen: Mag ik met de schep spelen?”
- Samen spelen = samen delen
- KDV en BSO: Omgaan met de natuur: We leren kinderen geen planten/ bessen e.d te plukken en eten. Wel plukken ze bloemen in het veld. Bomen en struiken mogen niet kapot. Met afgevallen takken mag je spelen, je mag ze niet van een struik aftrekken.

BSO: Basisschool kinderen kunnen de gevolgen van hun handelen steeds beter tot goed begrijpen. We helpen dit inzicht vergroten waar nodig, liefst op tactvolle wijze. Een voorbeeld: Een kind wat graag de baas speelt door te zorgen en te moederen, zal daar vaak niet geliefd door worden. Dit te laten inzien middels een onderonsje werkt vaak beter dan open in de groep.

Samen spelen in het water met de bootjes en op de surfplank gaat alleen goed als je rekening houdt met elkaar en elkaars waarschuwingen hoort en er naar handelt. Rekening houden met elkaar is een vaardigheid die groeit naarmate de kinderen elkaar, de grenzen en de normen en waarden leren kennen die gelden bij de speelruimte van het Buitenhuis.

Het bevorderen van socialisatie door overdracht van algemeen aanvaarde normen en waarden

KDV: Natuurlijk zijn er regels, niet zo veel, maar genoeg om van te leren. Zo blijf je b.v. aan tafel zitten tot wij zeggen dat je van tafel mag, was je eerst je handen voordat je gaat eten en ook daarna. Voor het eten ga je naar de w.c. zodat je tijdens de maaltijd niet hoeft. We leren de kinderen wannneer nodig niet te smakken, maar met gesloten mond te eten, niet met volle mond te praten, door b.v. voor te doen hoe grappig maar onverstaanbaar dat klinkt, om ombeurten te praten en niet door lekaar, enz. enz.

BSO:
Luisteren
elkaar helpen
samenwerken
uitspreken
aan tafel eten/samen eten
rekening met elkaar houden, zeker niet pesten
respect tonen
omgaan met volwasenen/ autoriteit aanvaarden
taalgebruik
niet schreeuwen, maar even een stukje lopen
Er zijn de hele dag allerlei dingen voor gevallen, ook minder leuke dingen, maar die mag je niet afreageren op een ander. Ga in dat geval maar brandnetels kappen, rennen e.d.

 

Zorg voor baby’s

In het Buitenhuis zijn nooit meer dan 10 kinderen in een groep waarvan er niet meer dan twee jonger dan 6 maanden. De groep wordt door twee van ons drieeën gedraaid. Dat betekent dat er ruimschoots aandacht is voor de baby’s.
In de ochtend gaan de grote kinderen er op uit naar bos en hei, waardoor er een kleine groep overblijft, meestal 4 kinderen of minder, waaronder de baby’s. Zo is er al veel rust en gelegenheid om de baby aandacht te geven. Ook in de middag spelen veel grote kinderen buiten of slapen ze er.

Baby’s zijn gevoelig voor indrukken van buiten. Hun hersens zijn nog niet zo ontwikkeld dat ze verschil kunnen maken tussen het huilen van een ander en hun eigen verdriet. Met een huilende baby gaan we daarom even naar buiten.

Herkennen van verbale en non-verbale initiatieven van baby’s

Het lijkt alsof baby’s nog niet zoveel kunnen duidelijk maken, maar een goede waarnemer ziet dat anders. Er zijn verschillende huiltjes, die als je een baby goed kent allemaal te voorkomen zijn, behalve misschien die van de snel geprikkelde baby die even moet huilen om alles te verwerken voor de slaap komt.
De vaardigheid focussen geeft samen met de nodige ervaring wel enig houvast om de initiatieven van baby’s tot het duidelijk maken van behoeften en het leggen van contact te verhelderen. Een voorbeeld:

Ik buig me over de boos huilende baby. We moeten haar nog leren kennen want ze is er pas een paar weken. Wat begrijp ik niet? Oh ze is zo nijdig! Dat is geen overprikkeldheid die duidt op vermoeidheid, het is ook niet dat ze wil spelen, ze is kwaad omdat ik haar niet een beetje vlugger snap, want het is brullende honger, besluit ik. Ik maak snel snel een extra fles, wild hapt ze naar de speen en zet het op een drinken. Na de fles een boertje (en ja! ik krijg een lachje) en ze zoeft tevreden in slaap. Baby’s lezen is zo leuk als het lukt.

Gelukkig kunnen baby’s iets waar je niet omheen kunt: je wilt dat geluid niet horen en liefst voorkomen. Dat vraagt om een grote dosis invoelingsvermogen, ervaring en de moed om dingen uit te proberen. Iedere baby is anders en vaart wel bij weer een ander evenwicht. Een evenwicht tussen rust en aandacht, voeding en slaap en lichamelijk contact versus zelf bewegen.

Contact met andere kinderen Baby’s vinden andere kinderen vaak leuk en interessant. Daarom zitten of liggen ze regelmatig tussen oudere kinderen in, of bij ze in de buurt. Zodra ze kunnen tijgeren en kruipen en er speelgoed is, zoeken ze elkaar vaak vanzelf op of zonderen zich af zodra ze daar behoefte aan hebben. Als deze jonge kinderen het maken van contact moeilijk vinden gaan we er op de grond bijzitten, dat maakt het veilig. Ze pakken vaak speelgoed dat een ander kind heeft (het gras van de buurman blijft altijd groener...) vast, omdat ze dat ook willen verkennen, niet zozeer om het af te pakken. Dat laatste ontstaat wel zodra ze doorkrijgen dat de een de ander niet is en dat je invloed kunt uitoefenen op de dingen: een grote stap in de ontwikkeling. Deze ontwikkeling brengt de eerste machtsstrijd en het gevecht om wie de sterkste is. Dit goed begeleiden is belangrijk en niet zo moeilijk. Speelgoed dat wordt afgepakt gaat terug naar de oorspronkelijke eigenaar, zachtjes en rustig, zolang de eerste nog geinteresseert is. Zo niet dan is er niets aan de hand. Dan zijn ze nog niet in het stadium waarin ze mijn van dijn onderscheiden.

Slaap-waakritme Jonge baby’s veranderen vaak van ritme. Dit is daarom een kwestie van nauw overleg met de ouders via de app en een kwestie van aanvoelen en uitproberen.

De iets oudere baby’s gaan vaak over tot twee keer slapen per dag, wat langzaam verschuift naar een keer in de middag. Soms kan het helpen dit proces wat te sturen, omdat ze tussen het 2x en 1x slapen inhangen en dan 2x minder goed slapen en vermoeider raken dan nodig i.p.v. energie op doen.

Verzorging We stemmen af met de ouders wat de baby’s aan verzorging en verzorgingsproducten nodig hebben en vooral gewend zijn. Zodra het contact met een baby goed is kun je hem of haar verkleden en verschonen. Het is belangrijk dat een baby ontspannen is voordat je dat doet. We verschonen of verkleden geen huilende of gespannen baby’s, die troost je eerst of anderszins. Als baby’s net wakker zijn bijvoorbeeld, vinden ze het vaak niet fijn direct verschoond te worden maar willen ze eerst even bijkomen op schoot. Hier houden we rekening mee.

Ontwikkeling stimuleren door kansen te signaleren, te creeren en passende activiteiten aan te bieden. Dit doen we o.a. door speelgoed binnen bereik te leggen. Dingen in en vooral ergens uithalen zijn meestal favoriet, dus is er een kast vol speelgoed die steevast elke dag een paar keer leeg gehaald wordt. Dit wordt verfijnd met meepuzzelen (dingen er weer in doen) middels eenvoudige puzzels, een vormenstoof etc. Meedoen met de oudere kinderen is een fijne manier om de oudere baby’s te stimuleren ook te tekenen, verven, klimmen, scheppen enz. enz. Een beroep doen op de nieuwsgierigheid en de eigen drang tot ontwikkeling is ons inziens de beste methode de ontwikkeling te stimuleren.