Hieronder beschrijven we het pedagogisch beleid van Het Buitenhuis.

 Algemene zaken als Klachten e.d. zijn voor KDV en BSO hetzelfde.

 I: Kinderdagverblijf: Visie - WennenVerschillende ontwikkelingsgebieden - Overige zaken

I: Visie

Ieder kind heeft een drang zich te ontwikkelen. De ontwikkeling is een individueel proces; ieder kind ontwikkelt zich tot een eigen persoon in zijn/haar eigen tempo. Dit proces wordt beïnvloed door aangeboren- en omgevingsinvloeden.

Een kind ontdekt en ontwikkelt zich door vrijheid te ervaren in een veilige omgeving en zich gesteund en uitgenodigd te weten waar het dit nodig heeft. Door het bieden van een dagritme, gedragsregels en erkenning van wat ze ervaren en voelen ervaren kinderen structuur in een omgeving die beoogd de veiligheid te bevorderen.

Visie op opvoeden

Aansluiten bij de unieke ontwikkeling van ieder kind staat voorop. Dit gebeurt op een positieve manier en in een vertrouwde, veilige en geborgen sfeer, waarin kinderen en ouder(s) en/of verzorger(s) zich thuis voelen.

Ieder kind krijgt voldoende uitdagingen om al doende en spelend de persoonlijke ontwikkeling recht te doen.

Basisvoorwaarden hierbij zijn dat de opvoeder respect heeft voor het kind en probeert te begrijpen wat het nodig heeft.

Wenperiode

Aan een regelmatige plaatsing kan een wenperiode voorafgaan. Omdat kinderen op hun eigen manier wennen aan een nieuwe omgeving, spreken we per kind af wat prettig is. Het ene kind start met een halve dag en weer een ander kind kan gelijk een hele dag blijven.

Het wenproces is een precaire periode, waar we veel aandacht aan geven. Het is niet alleen wennen om zonder pappa en mamma te zijn, het is ook een hechtingsproces aan nieuwe mensen en een ander plek, een ander bed om in te slapen, ander speelgoed en ineens een paar andere kinderen om mee te spelen en rekening mee te houden.

Voor jonge kinderen tot ca. 1,5 jaar is hechting extra belangrijk. Voor hen is veel rust en aandacht een vereiste. We streven ernaar deze jonge kinderen dit te geven door hen o.a. veel lichamelijk contact te bieden in die zin dat we ze veel dragen, op schoot hebben en hen zo regelmatig wat afzonderen van de andere spelende kinderen. Deze jongsten zijn erg nieuwsgierig en als ze eenmaal kunnen zitten en tijgeren/kruipen zie je ze al gauw ‘voor vol aan’. Maar ze zijn nog veel opener en gevoeliger voor hun omgeving dan de wat oudere kinderen, wat merkbaar is als ze zomaar even meehuilen met een kind dat b.v. gevallen is. Door ze regelmatig dichtbij ons te houden ervaren ze eerder onze rust en pas in tweede instantie de andere kinderen.

Pedagogisch doel

Het pedagogisch doel is dat een kind zich ontwikkelt tot een zelfstandige- en zo veel mogelijk zelfredzame vierjarige; met een positief zelfbeeld, met eigenheid en met voldoende vertrouwen in zichzelf, de omgeving en anderen.

Pedagogisch handelen

‘Aansluiten bij het kind’, ‘dagritme’, een ‘positieve benadering’ en ‘aandacht voor belevingen’ en ‘zelfstandigheid’ zijn kernbegrippen in het pedagogisch handelen.

Daarenboven streven we naar een sfeer waarin rust voorop staat, zodat onderstaande items ook de kans krijgen zich op een prettige manier en in een liefdevolle sfeer te ontwikkelen. Voordat we ingaan op de afzonderlijke ontwikkelingsgebieden willen we daarom wat meer vertellen over het thema ‘rust’.

Rust

Het Buitenhuis is bewust een kleinschalig KDV, met een groep van 6-9 kinderen. Dat betekent niet dat de ruimte klein is, integendeel. Het Buitenhuis heeft een speeloppervlak binnen van ca. 60 m2. 

Hoe meer we ervaren wat rust brengt hoe belangrijker we het zijn gaan vinden.

Concreet betekent het dat kinderen bijvoorbeeld niet hard 'mogen' schreeuwen of gillen. Dat klinkt misschien wat stellig. Het gaat er ook niet om emoties te onderdrukken, maar meer omdat schreeuwen en gillen vaak paniek brengen, omdat jonge kinderen een emotie nog niet goed kunnen relativeren: waarmee moeten ze het vergelijken? Hoe erg is het eigenlijk? Het kan na gillen eigenlijk niet veel erger worden, de volgende stap is namelijk de controle verliezen: vallen, ruzie, duwen, trekken en slaan. Bovendien word je van schreeuwen, gillen en paniek moe. Waar kinderen uit enthousiasme of spannend spel schreeuwen corrigeren we dit als het uit de hand dreigt te lopen, door zachtjes sssst te zeggen (als ze dat nog kunnen horen) of door tussen de spelende kinderen in te gaan zitten/staan/mee te spelen en zo -door zelf rustig te zijn- de kinderen weer rust te geven. Het spel verandert dan van onrustig en opgejut naar sfeervol en veilig. We kunnen aan de kinderen merken hoe fijn dit is: ze vallen weinig, maken minder ruzie en spelen met en om elkaar heen. Ze zijn daarom meestal niet moeier aan het einde van de dag, dan wanneer ze een dag thuis zijn geweest.

De mooiste momenten zijn als het ‘zoemt’. Dan spelen ze allemaal vanuit hun eigen concentratie, niemand schreeuwt of gilt, iedereen is bezig en vermaakt zich. 

Om dit te bereiken is ‘aanwezigheid’ van de leiding nodig. Niet alleen fysieke aanwezigheid, maar aandachtige aanwezigheid en waar nodig interveniërend.

Er zijn ook regels om dit te bevorderen. Naast niet schreeuwen mogen ze binnen bijvoorbeeld niet rennen. Als ze graag willen rennen kunnen ze altijd naar buiten. Rond 10 uur gaan we steevast naar buiten. Veel energie kunnen ze zo aan het begin van de dag al kwijt. Kinderen blijken veel lichamelijke energie te hebben! Meestal zijn we meer dan een paar uur buiten, bij goed weer (droog en zonder snijdende wind) zo'n beetje de hele dag. 

Verschillende ontwikkelingsgebieden:

A-ontwikkeling van de eigenheid

B-ontwikkeling van de taal

C-ontwikkeling van het spelen

D-slapen en rust

E-ontwikkeling van zelfvertrouwen

F-ontwikkeling van zelfstandigheid en zelfredzaamheid

G-ontwikkeling van grove en fijne motoriek

H-ontwikkeling van het inlevingsvermogen en begrip van en voor de omgeving

I-ontwikkeling van de zindelijkheid

J-Monitoren van de ontwikkeling

K-Speerpunten voor een ontwikkelingsvoorsprong

Ad A Ontwikkeling van de eigenheid.

Het Buitenhuis stimuleert kinderen in hun eigen ontwikkeling. Het Buitenhuis houdt daarbij rekening met de eigenheid/persoonlijkheid van het kind en geeft het kind de ruimte zich te ontwikkelen in zijn of haar eigen tempo en zo veel mogelijk op zijn of haar eigen manier.

Recent onderzoek toont aan dat kinderen het meeste zelfvertrouwen ontwikkelen als ze hun talenten/voorkeuren kunnen “uitleven” . Zo zijn er bijvoorbeeld kinderen die leren door te doen en kinderen die vooral leren door te kijken. Een doener leert van het doen en waar het mis gaat zal het gaan beschouwen en nadenken. Een beschouwend kind zal eerst afwachten, kijken en luisteren voordat het iets gaat doen.

Hieronder enkele voorbeelden hoe dit gebeurt in de praktijk:

- de kinderen worden op een positieve manier benaderd. Er wordt vooral gezegd wat er wel kan/mag. Waar nodig wordt er kort en duidelijk aangegeven wat er niet kan/mag.

- Er is speelgoed dat past bij het ontwikkelingsniveau en aard van het kind; blokken voor doeners; een keukentje en huisje voor belevers; een veilige plek (de bank; onder tafel) voor beschouwers, enz.

- de kinderen krijgen de ruimte wanneer zij aangeven iets te willen doen. Als een kind

bijvoorbeeld zelf de schoenen aan wil doen, zal ik het kind dit laten proberen en helpen waar nodig;

- Speelmateriaal staat op de eigen hoogte, zichtbaar voor het kind, zodat het eigen keuzes kan maken.

- Kinderen worden uitgenodigd dat wat ze moeilijk vinden eerst samen te doen. Een voorbeeld:

een kind dat nog niet zo assertief is, wordt hierbij geholpen door het speelgoed waarmee het speelt goed vast te houden als het dreigt te worden afgepakt. Dit werkt vaak aardig, ze pikken het snel op. Er dan bij leren zeggen: “Niet doen dit is van mij!” maakt de actie steeds succesvoller.

Kinderen die graag de baas zijn en speelgoed afpakken leren we het eerst te vragen en bij een “nee” iets anders te zoeken om mee te spelen, door het voor te doen: “Mag ik de gele schep?”  

Ad B Taalontwikkeling

Door verhaaltjes te spelen, te vertellen en voor te lezen, leren kinderen spelenderwijs de taal en leren ze als vanzelf om een tijdje al kijkend te luisteren. Liedjes worden aangehoord, de bewegingen bij liedjes al snel meegedaan en na verloop van tijd zingen ze mee.

De woordenschat wordt uitgebreid door aandacht te besteden aan b.v. verschillende

seizoensgerelateerde thema’s. Daarbij worden nieuwe, niet direct alledaagse woorden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: lammetje; dartelen; de kleuren; paddestoelen; schors; enz. enz.

Door te benoemen wat we doen, breiden ze spelenderwijs hun woordenschat uit, ontwikkelt het passieve taalgebruik zich (begrijpen wat we zeggen en luisteren naar goede zinnnen) en leren ze op den duur zelf goede zinnen te bouwen.

We letten er op zelf goede zinnen te blijven gebruiken en niet te vervallen in “kindertaal”.

(b.v.niet: ”Kom even schoentje aandoen”, maar: ”Kom ik zal je schoen even aandoen.”)

De verleiding is aanwezig om veelvuldig verkleinwoorden te gebruiken in het bijzijn van kleine kinderen. Dit doen we bewust niet. Een jong kind heeft gewoon een hand, geen handje.

Ad C Het spelen

Lekker spelen is het belangrijkste wat kinderen kunnen doen. Het is goed voor de lichamelijke, emotionele en verstandelijke ontwikkeling. Het vrij spelen krijgt daarom alle ruimte. Daar waar het vrije spel stokt, bieden we hulp het kind weer op weg te helpen. Dit kan b.v. door te benoemen wat er gebeurt, door iets aan te bieden of door even mee te spelen.

Kinderen wordt bijvoorbeeld de mogelijkheid geboden tot:

-vrij spel

-fantasiespel (met verkleden b.v.) en rollenspel

-buiten spelen met water en zand en in het huisje

-aardbeien plukken

-creatieve activiteiten als bouwen met blokken/ kleden

-knutselen

-schilderen

-kleien

Ad D Slapen

We streven ernaar de kinderen genoeg rust te geven, wat in een crèche wat moeilijker kan zijn dan thuis, maar juist vaker nodig! Slapen is voor jonge kinderen erg belangrijk en krijgt daarom ruim de aandacht. We blijven even bij een nieuw kind tot het zich veilig voelt. Doen “vanzelfsprekend” rond het slapen en we zijn heel duidelijk: we gaan lekker slapen. Kinderen die gaan spelen in bed, terwijl ze moeten gaan slapen, helpen we door te herhalen dat het slaaptijd is, net zo lang tot ze gaan slapen. 

Wennen

Voor kinderen kan het slapen in een nog niet vertrouwde omgeving soms moeilijk zijn. Het helpt als ze thuis al gewend zijn zelf (zonder de aanwezigheid van een volwassene) in te slapen. Als het moeilijk blijkt voor een kind hier te gaan slapen, proberen we dit op te lossen door duidelijkheid en aandacht te geven. We hebben goede ervaringen met de zogeheten “10 minuten-methode”. Als een kind huilt, gaan we elke 5 of 10 minuten naar het kind toe en geven het even een aai over de bol, zeggen welterusten of wat toepasselijk lijkt en gaan weer. Dit blijven we herhalen tot het kind slaapt. Tot nu toe heeft dit goed en snel gewerkt, zodat de kinderen aan hun benodigde slaap en rust toekomen.

Mocht dit niet het gewenste effect hebben dan is er iets anders aan de hand met het kind, misschien is het niet slaperig/ angstig e.d. dan zullen we het of uit bed halen of bij het kind blijven. Soms doen we een kind in een warm badje voor het slapen, zitten we er een tijdje mee op schoot te zingen e.d.

Ad E Ontwikkeling van het zelfvertrouwen

Het Buitenhuis hecht veel waarde aan een veilige en vertrouwde omgeving waarin de kinderen zich thuis voelen. Emotionele veiligheid is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een positief zelfbeeld en zelfvetrouwen.

Hieronder volgen enkele voorbeelden van hoe dit gedaan wordt:

- Door het kleinschalige karakter van het Buitenhuis is alles snel bekend en vervolgens

vetrouwd;

- Er is een huiselijke sfeer; samen aan tafel eten of knutselen; boekje lezen op de

bank, e.a.

- er is aandacht voor knuffelen; op schoot zitten en lichamelijk contact, zeker als

kinderen zich nog niet veilig voelen en dit als prettig ervaren; baby’s regelmatig

dichtbij.

- Kinderen weten dat er altijd iemand voor hen is, als zij er behoefte aan hebben.

Luisteren naar de kinderen is belangrijk en er is veel ruimte voor individuele

aandacht.

- We nemen samen met het kind afscheid van de ouders/verzorgers en benoemen het

gevoel wat er eventueel is en vertellen dat pappa/mamma weer terugkomt. We

blijven bij het kind tot het zover is dat het kan gaan spelen;

- Uitleggen en verwoorden wat er gebeurt: Als het kind bijvoorbeeld verschoond moet worden, wordt benoemd wat er gedaan wordt.

- Door emoties en gedrag te benoemen, leren kinderen dat emoties en gedragingen

niet verkeerd of goed zijn, maar begrepen worden, waarna ze zelf of met hulp

emoties de baas kunnen en zonodig iets op een andere manier leren doen.

- Het Buitenhuis hanteert een vast dagritme en geeft duidelijke gedragsregels, zoals b.v.

niet slaan, alleen spelen = alleen laten spelen en niks afpakken, samen spelen=samen delen, (wat ze echt nog moeten leren -'van mij!' zijn vaak een van de eerste woorden- maar vrij snel oppikken). Deze herhaling geeft de kinderen duidelijkheid, rust en regelmaat, waardoor veiligheid wordt bevorderd.

- Kinderen krijgen positieve bekrachtigingen waar ze dingen goed doen, iets voor het eerst kunnen, iets zelf doen, e.d. Het laten blijken van waardering of afkeuring doen we, omdat we dit ervaren en gebruiken als richting-gevend. Kinderen willen weten waar ze aan toe zijn, vragen om sturing en hebben grenzen nodig om zich veilig te voelen. Daarnaast is het natuurlijk belangrijk gevoel te hebben voor de behoeften van de kinderen en het 'waarom' van gedrag. Het ene kind meer complimenten geven dan het andere is soms prima, maar kan ik een ander geval leiden tot gevoelens van falen bij het kind dat even geen complimenten krijgt. Gelukkig laten kinderen snel merken wat ze van iets vinden en kennen we de kinderen zo goed dat we ook wel zien wat er speelt, of zou kunnen spelen.

Als kinderen kunnen vertrouwen op hun omgeving en zich daarin vrij kunnen bewegen, begrijpen wat er wordt verwacht, erkenning krijgen voor wat ze moeilijk vinden en ervaren wat ze goed doen, ontstaat er vanzelf zelfvertrouwen.

De peuterpuberteit is een belangrijke fase in de ontwikkeling van het zelfvertrouwen en de wilskracht. Het tonen van vanzelfsprekende beslistheid, het geven van duidelijkheid en het geven van liefdevolle aandacht en hier en daar wat humor zijn belangrijk om deze ontwikkeling van peuters te doen slagen.

Een “sterke” volwassene die redelijke grenzen aangeeft, duidelijk is en daarnaast liefdevol en grappig, geeft peuters richting en vertrouwen en biedt zo de basisvoorwaarden de (eigen) grenzen te durven verkennen. Peuters gaan dingen wel en niet willen. B.v. niet meer willen slapen of eten, terwijl ze het wel nodig hebben. Onze ervaring is dat even flink sturen een hoop oververmoeidheid plus gedoe kan schelen. Voor opvoeders kan dat wel moeilijk zijn, want je bent bang dat je tegen een natuurlijke ontwikkeling ingaat e.d. Onze ervaring is dat peuters onze sturing juist vragen, omdat ze de wereld verder willen leren kennen. Het is veilig als je daarbij de grenzen leert kennen van iemand die het kan weten, iemand die sterker is en waar je op kunt vertrouwen als het mis zou gaan met het ‘ontdekken van de wereld’. Zo werkt sturing bevorderlijk voor het vertrouwen in anderen en voor het zelfvertrouwen (er mislukt minder met de juiste grenzen, dus zijn er meer succeservaringen). Vertrouwen kunnen we ze dan weer geven in de vorm van ruimte:

-zelf hele gare wortels snijden met een niet al te scherp mes.

-zelf ‘heel hoog’ klimmen is goed als je er ook weer zelf uit kan, kijk zelf maar hoe hoog je gaat.

-zelf helemaal tot achterin de wei rennen, terwijl het hek openblijft voor als je weer terug wilt. 

 

Ad F Lichamelijke ontwikkeling; grove en fijne motoriek

- Kinderen in deze leeftijd zijn volop in de groei en hebben behoefte aan een

middagslaapje of aan een moment rust, daarom gaan de kinderen na de

lunch naar bed. De oudere kinderen in principe ook, een moment rust is goed

ook al slapen ze niet meer. Ze mogen dan in bed spelen of een boekje kijken. Als

oudere kinderen regelmatig niet meer willen slapen wordt bekeken of ze iets

rustigs buiten bed kunnen doen; e.e.a. ook in overleg met de ouders. 

Baby’s en jonge kinderen slapen vaak twee keer per dag, of doen kleine slaapjes

tussendoor. Dat kan in de draagzak, in de kinderwagen of in bed. Dit ook in overleg

met de ouders.

- buiten spelen en wandelen geven goede mogelijkheden de grove motoriek te

ontwikkelen.

Ook aan de ontwikkeling van de fijne motoriek wordt aandacht besteed, middels divers speelmateriaal, middels verschillende creative activiteiten en andere b.v. besjes plukken.

 

Fysieke veiligheid

- De richtlijnen die vanuit de overheid en gemeente worden gegeven aan

de kinderopvang worden nagevolgd middels de RI’s;

- Speelgoed en andere materialen worden regelmatig gecontroleerd op missende

onderdelen en of iets stuk is gegaan.

- Deuren/hekken worden nagelopen of ze gesloten zijn en er geen gevaarlijke dingen

binnen bereik van de kinderen liggen;

- Er wordt op een actieve manier voor gezorgd dat de grote kinderen de kleinere niets

aan kunnen doen door goed op te letten en bij de kinderen in de buurt te blijven.*

*Zie verder risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid.

 

Ad G Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

- Kinderen worden aangemoedigd om dingen als schoenen of jas aan trekken zelf te

doen. Uitleggen, voordoen en helpen is daarbij vanzelfsprekend.

- Bij onenigheid wordt niet direct ingegrepen, tenzij er geslagen e.d. wordt. De

kinderen proberen het eerst zelf op te lossen.

- Vorderingen worden op een positieve manier benoemd, met oog voor de gevoelens

van kinderen die “nog niet zover zijn”. Mocht het vervelend worden (jaloezie,

opschepperij e.d.) dan geven we iedereen complimenten om scheve verhoudingen te

voorkomen en bieden daarnaast andere manieren om een positieve sfeer en een

positief zelfbeeld te krijgen;

- Waar het kan vragen we grote kinderen kleinere te helpen.

Er wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsfase en leeftijd van het kind. Een kind te vroeg iets vragen te doen kan een kind onzeker maken.

Ad H Ontwikkeling van het inlevingsvermogen en begrip voor en van de omgeving:

Anderen zien en de gevolgen van je gedrag leren begrijpen zijn belangrijk in het opvoeden van peuters. Peuters zijn qua ontwikkeling nog niet in staat vooraf de gevolgen te overzien van een handeling: b.v. dat als je slaat, dit pijn doet bij een ander. Meestal slaan ze omdat ze hun zin niet krijgen of boos zijn, dit geldt ook voor bijten en knijpen. Vaak is het pijn doen helemaal niet het doel, maar wel het afreageren van iets. Door de achterliggende emotie te erkennen en het gevolg ervan te benoemen leren ze dit verband te begrijpen. Door voor te doen hoe ze om kunnen gaan met teleurstelling, boosheid, jaloezie e.a. leren ze beter om te gaan met hun emoties en met die van anderen. Bijvoorbeeld door:

- We leren de kinderen iets vriendelijk te vragen. In plaats van zeggen ‘ik wil..’ vragen ‘mag ik..’; en van boosheid gaan we weer terug via “ik wil” naar “mag ik”.

Situatie:

Kind slaat een ander kind.

“Wat wil je graag?”

“Ik wil de schep”

“Dan kun je vragen: Mag ik met de schep spelen?”

Omgaan met de natuur: We leren kinderen niet zomaar planten/ bessen e.d te plukken en eten. Wel plukken ze bloemen in het veld. Bomen en struiken mogen niet kapot. Met afgevallen takken mag je spelen, je mag ze niet van een struik aftrekken.

- bewustzijn hebben voor de eigenheid van de kinderen en daar rekening mee houden. Geen voorkeur voor een individueel kind laten blijken;

- Handelen vanuit aandacht, duidelijkheid en begrip en daarin consequent zijn.

- Het benadrukken van positief gedrag; bij storend gedrag is het soms nodig het kind even te isoleren, door het apart te laten zijn van de groep, maar we geven de voorkeur aan het gevoel te erkennen en de situatie te benoemen en aan te geven hoe het wel kan en moet.

- Het kind kan emoties uiten als boosheid en verdriet. We helpen het kind waar nodig hiermee om te gaan, door de emotie te benoemen en te erkennen; (wat iets anders is dan er in meegaan.)

- Wanneer een kind aangeeft ergens niet aan mee te willen doen, dan is dat oké. Behalve waar het gaat om de dagelijkse structuur van eten, drinken en slapen. Als het een keer minder eet of drinkt is dat geen probleem. Dit wordt ook overlegd met de ouders.

Ad I Ontwikkeling van de zindelijkheid

Zo rond de derde verjaardag of wanneer het kind aangeeft wanneer het geplast/gepoept heeft, begint het spelenderwijs zindelijk worden. We nemen als KDV niet het voortouw in het zindelijk worden. Wij volgen de ouders. In overleg met hen wordt gekeken wanneer het kind zover lijkt te zijn de luier uit te laten. 

Waar een kind duidelijk geïnteresseerd is zetten we het kind, in navolging van een ander kind meestal, op de w.c. om zo spelenderwijs te leren dat plassen en poepen op de w.c. hoort. Als het bijna zindelijk is, maar nog regelmatig ongelukjes heeft, vooral als het buiten speelt, helpt een sticker-beloningssysteem soms, omdat het nog een reden is om er aan te denken. We vragen het kind dan regelmatig of het naar de w.c. moet.

Ad J Monitoren van de ontwikkeling

Daar waar de ontwikkeling van een kind lijkt af te wijken (achterstand of voorsprong), zullen we deze bevindingen met de betreffende ouders bespreken en hen desgewenst doorverwijzen naar mogelijke hulp of informatie. Kinderen met een mogelijke achterstand worden doorgaans voor een VVE indicatie aangemeld door het consultatie bureau, maar ook wij kunnen dit voorstel aan de ouders doen. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Sine Limite: http://www.sinelimite.nl/diensten/documenten/documenten-vve.

We beschikken over een sociale kaart om naar de juiste persoon of intsantie te kunnen doorverwijzen.

Om de overdracht naar de basisschool te stroomlijnen kunnen we desgewenst gebruik maken van het OKE-formulier, een checklist van voorkomende ontwikkelingsgebieden. We vullen dit in overleg met de ouders in. Ouders ondertekenen dit formulier. 

In het Buitenhuis werken we met een klein team: Frank, Korine en Emma. Opvallende zaken rond de ontwikkeling kunnen zo snel en tijdig dagelijks worden besproken en zo nodig met de ouders worden gecommuniceerd. Korine of Frank dragen zorg voor het eventueel bespreken en doorverwijzen naar derden waar dit door ouders gewenst is.

We werken kortgezegd als volgt: 

-signaleren

-registreren (schriftje, app, gesprek, overdracht)

-delen (team en ouders)

-eventuele stappen bepalen

Voor kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong heeft het Buitenhuis een aantal pluspunten. Frank en Korine zijn hierin geschoold. Voor jonge kinderen met een voorsprong is er nog geen ondersteuningsprogranmma, wat wel nodig zou zijn. Wij ontwikkelen dit daarom al doende zelf en bieden dit aan kinderen die dit nodig lijken te hebben. Tijdens een oudergesprek brengen we dit ook aan de orde en kunnen we steeds beter handvatten bieden hoe met bepaalde aspecten hiervan om te gaan. 

Ad K Speerpunten voor een ontwikkelingsvoorsprong tot dusver

Kinderen die zich sneller dan gemiddeld ontwikkelen hebben vaak meer nodig dan b.v. een moeilijker puzzel.

Voor baby's geldt meestal: meer rust en stilte omdat ze wat prikkelgevoeliger zijn. Voor dreumesen en peuters is het belangrijk niet te verdwalen in de vele mogelijkheden die ze kunnen uitdenken en invoelen. De werkelijkheid beleven in de meest oorspronkelijke vorm: spelen in het veld en in het bos en met zand en water, helpt en geeft richting. Het houdt de voeten op de grond en geeft tegelijkertijd veel uitdagingen. Hen helpen met deze uitdagingen voorkomt dat ze angstig worden en teveel in hun hoofd en gevoel gaan leven. Handelen en dingen doen, vooral fysiek bewegen zijn heel goed voor deze kinderen. Niets is namelijk complexer dan de werkelijkheid en om de werkelijkheid het hoofd te bieden heb je moed nodig, moed om dingen te proberen, het verkeerd te doen en het op een andere manier toch weer te proberen.

Daarnaast besteden we veel aandacht aan het ontwikkelen van de creativiteit. Niet perse in de vorm van knutselen, juist in de zin van verbanden en mogelijkheden leren zien en daar plezier aan beleven. Wat kun je b.v. doen met gemaaid gras: een hooihoedje maken, of een nest van een eend, of je kunt het voeren aan de geiten of je maakt er een sjaal van, je kunt het omhoog gooien en kijken waar het heen waait, als het waait en hoe ver het waait. 

 

 

 

 

 

Overige zaken

Activiteiten

Bij slecht weer worden regelmatig creatieve activiteiten aangeboden, zoals vingerverven, schilderen, kleien, scheuren, knippen en plakken, spelen met zand/rijst/water, koekjes/broodjes bakken e.a. Ook spelen we bij regenachtig weer, al is het wat korter, buiten.

We gaan dagelijks naar naar onze eigen geitjes;  of naar de schapen en de ezels aan de overkant, of we spelen in de tuin en in de wei. We hebben een elektrische bakfiets waarmee we naar het bos of naar de hei kunnen. Er zijn skipakken en regenbroeken om de kinderen warm en droog te houden als ze buiten spelen.

Capaciteit

Het Buitenhuis biedt opvang aan maximaal 10 kinderen in de leeftijd van enkele maanden tot 4 jaar. Groepsgrootte

A 4 kinderen in de leeftijd van 0 tot 1 jaar

B 5 kinderen in de leeftijd van 1 tot 2 jaar

C 6 kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar

Verschillende leeftijden door elkaar worden verrekend tot een gemiddelde.

Dit zijn de officiële richtlijnen. Het Buitenhuis is kleinschalig en de groep is heterogeen, waardoor er doorgaans gemiddeld 1 a 2 kinderen in de leeftijd vanaf enkele maanden tegelijk wordt opgevangen. 

Halen en brengen

Kinderen kunnen tussen 8.00 uur en 9.00 uur worden gebracht en tussen 17.00 en 18.00 uur worden opgehaald. Bij het brengen en ophalen vindt er desgewenst een korte overdracht plaats.

De kinderen kunnen alleen door de ouders worden opgehaald tenzij er een duidelijke bevestiging van de ouders/ verzorgers is, dat ze door een ander worden opgehaald.

Contact tussen ouders en leiding

1. intake gesprek

2. overdracht halen en brengen

3. jaarlijks oudergesprek (of op aanvraag)

4. ouderavond

5. heen-en weerschrift

1. Tijdens het intake gesprek worden afspraken gemaakt rond bijzonderheden betreffende het kind en

de gang van zaken van het dagverblijf. Als alle zaken helder zijn wordt een plaatsingsovereenkomst

getekend. Als deze overeenkomst binnen is bij Het Buitenhuis, is de plaatsing bevestigd.

2. Tijdens het brengen en halen worden kort bijzonderheden gemeld, waar dit nodig of wenselijk is.

Belangrijk is dat het belang van het kind op deze momenten voorop staat, dus in geval van een wat langere overdracht wordt de voorkeur gegeven dit schriftelijk, of op een ander moment te doen, omdat we de aandacht graag bij de kinderen houden die er nog zijn.

3. Een keer per jaar wordt er per kind een gesprek van ca. 20 minuten gepland indien daar behoefte aan is. Soms is een wat uitgebreider gesprek wenselijk, dan kunnen ouders of leidster het initiatief nemen tot het maken van een afspraak voor een wat langer gesprek.

4. Een keer per jaar organiseert Het Buitenhuis een informatieve ouderavond en 1 keer een gezellige middag met ouders en kinderen, waarbij we ook eten.

5. in het heen- en weerschrift wordt zo mogelijk dagelijks beschreven hoe de dag per kind verlopen is.

Ouders kunnen ook opschrijven wat er speelt, hoe de nacht is geweest etc.

Feest

Op feestdagen wordt de ruimte versierd en kan er worden geknutseld/ geschilderd. Met verjaardagen worden er slingers opgehangen. De jarige krijgt een verjaardagsmuts en ontvangt een cadeautje. Er mag getrakteerd worden. Zo mogelijk een suikervrije traktatie.

Er worden liedjes gezongen, die horen bij het feest.

Gewoonten

• liedjes voor of na het eten;

• Voor de grotere kinderen een verhaaltje lezen voor het naar bed gaan;

• Opruimen na het spelen;

• De kinderen leren op hun beurt te wachten;

• Eten en drinken doen we aan tafel

• Handen wassen na het wandelen en buiten spelen en toiletbezoek en na het eten

 

Omgaan met lichamelijke intimiteit

Kinderen zijn afhankelijk van de goede zorg en goede bedoelingen van pedagogisch medewerkers. Wij dragen de verantwoordelijkheid om integer om te gaan met deze afhankelijkheid.

Wij letten op de volgende zaken:

-kinderen worden niet zomaar en/of tegen hun zin geknuffeld. Zodra ze b.v. na getroost te zijn een tegenbeweging maken/ verder willen spelen, laten we ze los. Jonge kinderen geven gelukkig vrij duidelijke signalen daaromtrent. Soms geef je een kind even een aai over zijn bol en zelfs dan is duidelijk of ze dat prettig vonden of juist niet. Deze signalen opvangen en serieus nemen is wat ons betreft een vanzelfsprekende zaak. Kinderen hebben recht op hun fysieke grenzen en de bewaking daarvan. Ook als kinderen onderling knuffelen letten wij er op dat wanneer een van de kinderen aangeeft dat het welletjes is, dit wordt gerespecteerd. We helpen met deze grenzen waar nodig, door alert te zijn en aanwezig tijdens het spel van de kinderen.

-tijdens het verschonen houden we regelmatig oogcontact en letten we op de bewegingen van het kind. Dit om eventueel onbehagen op te merken en er goed op te reageren. Soms is het voor nieuwe kinderen wel eens ongemakkelijk om verschoond te worden door een vreemde. Verwoorden wat je doet op een rustige vanzelfsprekende manier helpt. Even wachten en aandacht hebben voor het kind ook.

Als kinderen bezig zijn met seksualiteit laten we hen begaan zolang de grenzen van een ander gerespecteerd blijven. Deze jonge kinderen spelen heel soms ‘doktertje’, maar meestal begint dat als ze wat ouder zijn. Ze verkennen ook hun eigen lichaam en hun seksualiteit. Dit laten we gewoon begaan, liefst zonder er op te reageren, want daar zitten ze helemaal niet op te wachten. Hoe afweziger/ neutraler de reactie hoe beter. 

Omgaan met emotionele intimiteit

Kinderen hechten zich na verloop van tijd aan pedagogisch medewerkers. Het belang daarvan onderkennen we door klein te blijven, zodat de gezichten vertrouwd zijn en de kinderen niet geconfronteerd worden met regelmatig wisselend personeel.

(Jonge kinderen zijn in staat zich aan ca. 4 personen te hechten. Een goede hechting is een voorwaarde voor het aangaan van gezonde relaties en gedrag in het latere leven. Veel gedragsstoornissen, blijkt uit onderzoek, worden voor een groot deel veroorzaakt door hechtings-problematiek.) 

We nemen zodoende de emotionele intimiteit die ontstaat serieus. 

Natuurlijk hebben we een andere rol dan de ouders, wat ogenschijnlijk door de jongsten niet zo wordt ervaren omdat ze ons rustig mamma of pappa noemen. Wij zien dit deels als een geslaagde hechting en deels als taal-issue. Jonge kinderen kunnen onze namen niet zeggen en dus zijn we gewoon “zo’n grote die voor je zorgt= mamma of pappa”. Zodra ze ca. 1,5 zijn kunnen ze het verschil wel verwoorden. Daarvoor weten ze het verschil ook wel, maar ze maken geen taalkundig onderscheid. Die overgangsfase kan grappige woorden opleveren: zo was Korine Mamma-Kgiene en Lollie en heet Frank, Pappa of Tank of toch ook maar Kgiene.

Dat pappa’s en mamma’s er altijd bijhoren onderkennen we door soms hun foto’s op te hangen of door over pappa en mamma mee te praten als ze daar over beginnen, iets voor hen te maken e.d.

 

Het '4-ogenprincipe'  is in het leven geroepen als beleidsmatige voorzorgsmaatregel misstanden in de kinderopvang te helpen voorkomen. Het betekent dat er in een opvangorganistaie altijd de mogelijkheid is dat een andere volwassene dan de pedagogisch medewerker mee kijkt. Wij lossen dit op door met stagiaires te werken, zodat er in ieder geval tussen 9.00 en 17.00 uur altijd twee mensen aanwezig zijn. Tussen 8.00-9.00 uur en 17.00-18.00 uur is het breng- en haaltijd, dus komen er regelmatig ouders binnen die kunnen meekijken. Het Buitenhuis bestaat uit 1 open ruimte en een slaapkamer. De slaapkamer is voorzien van een camera, zodat ook daar toezicht is.

 

Klachten Graag nodigen we ouders uit opmerkingen, vragen en klachten zo snel mogelijk kenbaar te maken. Een klacht wordt, gezien de kleinschaligheid van de organisatie van Het Buitenhuis direct doch maximaal binnen 2 weken behandeld. Binnen 5 werkdagen plannen we een gesprek om de bestaande klacht (en) te bespreken en vervolgens een oplossing te vinden. Een klacht kan ook per mail of schriftelijk worden ingediend, er vindt dan ook een gesprek plaats, omdat een klacht in een gesprek beter en vollediger tot zijn recht komt. Extern: Indien we desondanks niet tot een bevredigende oplossing komen, kun je je wenden tot de onafhankelijke Geschillencommissie Kinderopvang (zie gegevens onder het kopje 'voor ouders'). Een klacht kan ten allen tijden worden ingetrokken.